10 feiten over aardappelmoeheid en AM-onderzoek

1 september 2016 - Expertartikel

Over aardappelmoeheid (AM) en het bijbehorende AM-onderzoek bestaan veel misverstanden. Wanneer moeten de monsters genomen worden? Op welke manier is de vindkans het grootst? Wat is het verschil tussen extensief en intensief onderzoek? 9 feiten voor u op een rij:

1. Een aardappelcystenaaltje is nooit alleen

Soms wordt er slechts één of een enkele cyste gevonden in een perceel. Is het probleem dan verwaarloosbaar? Nee, dat is niet het geval. In de haard zijn dan inmiddels al miljoenen cysten aanwezig.

2. AM-onderzoek hoeft niet direct na de oogst plaats te vinden

Vaak wordt gedacht dat direct na de oogst de monstername voor AM moet plaatsvinden. Dat is echter niet nodig, het kan ook prima in de winter of in het voorjaar. Uit onderzoek blijkt dat AM ook na grondbewerking betrouwbaar aangetoond kan worden, doordat de cysten door de hele bouwvoor evenredig zijn verdeeld.

3. Hoe intensiever het onderzoek, hoe groter de kans dat een besmetting wordt gevonden

Eurofins Agro biedt drie verschillende bemonsteringsintensiteiten aan voor het AM-intensief onderzoek (AMI) namelijk AMI-225, AMI-150 en AMI-100. Hoe getal staat voor het aantal cysten per kg grond in het centrum van de haard dat met een detectiekans van 90% kan worden aangetoond. Hoe lager het getal, hoe groter dus de kans dat een besmetting wordt aangetoond. AMI-100 wordt het meeste toegepast in de praktijk.

4. De pakkans van een beginnende haard met extensief onderzoek is klein

De kans om een beginnende haard met een extensieve bemonstering te vinden, is klein. Het is eerder een toevalstreffer als met een extensieve bemonstering zo’n haard wordt aangetoond. Sterker nog: de kans is groot dat de besmetting op het perceel al flink is opgebouwd wanneer de haard via een extensieve bemonstering aan het licht komt. Dat risico kunt u beter niet nemen.

 

5. Met AM-intensiefonderzoek (AMI) verkleint u de kans op een besmetverklaring

Door vrijwillig (intensief) onderzoek naar AM houdt u als teler alles zelf in de hand. Door beginnende haarden in een vroeg stadium op te sporen, kunt u maatregelen nemen en uitbreiding van de besmetting voorkomen en zo mogelijk een besmetverklaring door de NAK voorkomen. Het probleem blijft daardoor beheersbaar. Met AMI-100 is de kans 90% dat we een haard van 100 cysten per kg grond aantonen. Bij een extensief onderzoek van de keuringsinstantie is die kans 20%. 

6. Voor de betrouwbaarheid van het AM-onderzoek is het bepalend hóe de grond verzameld wordt

De hoeveelheid grond die wordt gestoken is leidend, maar minstens net zo belangrijk is hóe de grond wordt verzameld. De monsters dienen flexibel in grootte te zijn, afhankelijk van de vorm van het perceel. Daardoor kan er vast worden gehouden aan het bemonsteringsraster van 6 bij 5 meter.  Het maakt niet uit of de monsternemer 30 steken neemt over een strook van 150 meter of 60 steken over een strook van 300 meter. De verzamelde hoeveelheid grond en het aantal steken per hectare is in alle gevallen gelijk. 

7.Bemonstering voor AM-onderzoek wordt altijd in de bewerkingsrichting uitgevoerd

Besmettingshaarden zijn vaak ovaal van vorm en worden uitgesmeerd in de richting van de grondbewerking en het rooien. Door in de lengte van de haard te steken is de kans groter dat een steek in de haard valt en een besmetting wordt aangetoond.

8. Bij een besmetting dient de hele lengte van het perceel als besmet beschouwd te worden

De kans is namelijk groot dat de besmetting al over de lengte in de bewerkingsrichting is uitgesmeerd met bijvoorbeeld grondbewerking of het rooien van de aardappels. 

9. Voor de juiste rassenkeuze om AM te beheersen, is een soortbepaling noodzakelijk

Een soortbepaling (pallida of rostochiensis) is essentieel voor een juiste rassenkeuze. Eurofins Agro voert de soortbepaling uit met DNA-techniek. Deze techniek is zeer betrouwbaar; ook bij lage besmettingen kunnen mengpopulaties van pallida en rostochiensis worden aangetoond.

10 Tot slot: een goede bedrijfshygiëne is het belangrijkst

Een goede bedrijfshygiëne is belangrijk om de kans op besmetting van buitenaf zo klein mogelijk te maken en verspreiding binnen het bedrijf te voorkomen. Besmetting met AM kan plaatsvinden door aanvoer van cysten via grond. Zeef- en sorteergrond is risicovol materiaal. Datzelfde geldt voor gebruikte (vuile) kisten. AM kan ook op het bedrijf komen via aanhangende grond bij machines, trekkers, plantgoed en zelfs laarzen. Kies zo mogelijk rassen met de juiste resistentie en gebruik vanggewassen.