Detectiekans AM-onderzoek: hoe werkt het?

30 augustus 2016 - Expertartikel

De detectiekans is het belangrijkste aspect van het AM-intensief onderzoek. Pootgoedtelers laten vrijwillig AM-intensief uitvoeren om een besmetting vroegtijdig op te sporen. Door na elke aardappelteelt vrijwillig AM-intensief te laten uitvoeren kunnen pootgoedtelers een officiële besmetverklaring voorkomen en tijdig ingrijpen om de AM-populatie te beheersen.

Bemonsteringsintensiteit

De detectiekans van AM-onderzoek wordt grotendeels bepaald door de intensiteit van de bemonstering. Hoe meer steken en volume grond er per hectare wordt genomen, hoe groter de detectiekans dat een besmetting wordt gevonden. Eurofins Agro biedt drie verschillende bemonsteringsintensiteiten aan voor het AM-intensief onderzoek (AMI) namelijk AMI-225, AMI-150 en AMI-100. Hoe getal staat voor het aantal cysten per kg grond in het centrum van de haard dat met een detectiekans van 90% kan worden aangetoond. Hoe lager het getal, hoe groter dus de kans dat een besmetting wordt aangetoond. AMI-100 wordt het meeste toegepast in de praktijk.

De juiste richting

Naast de intensiteit van de bemonstering is ook de richting waarin het monster wordt genomen van belang. Bemonstering voor AM-onderzoek wordt altijd in de bewerkingsrichting uitgevoerd. Dit komt doordat besmettingshaarden vaak ovaal van vorm zijn en worden uitgesmeerd in de richting van de grondbewerking en het rooien. Door in de lengte van de haard te steken is de kans groter dat een steek in de haard valt en een besmetting wordt aangetoond.

Bemonsteringsraster

Het raster waarin AM-monsters worden gestoken is ook bepalend voor de detectiekans. Op het moment dat er wordt afgeweken van het raster veranderd ook de detectiekans. In de onderstaande figuren staan twee verschillende bemonsteringsrasters afgebeeld. Links wordt een perceel bemonsterd volgens het raster van AMI-100, namelijk stroken van 6 m breed waarbij elke 5 m een prik wordt genomen. De ovale haard kan theoretisch met dit raster niet worden gemist. Rechts wordt afgeweken van het protocol en wordt in smallere stroken van 3 m gelopen. In dit geval wordt er elke 10 m een prik genomen om op de juiste hoeveelheid grond uit te komen. In dit geval bestaat de kans dat de haard compleet wordt gemist omdat de haard geen 10 meter lang is. Deze kaartjes en de haard zijn een voorbeeld en maken duidelijk dat het bemonsteringsraster een directe invloed heeft op de betrouwbaarheid. Wanneer hetzelfde aantal prikken wordt genomen en dezelfde hoeveelheid grond wordt verzameld kan er toch een andere detectiekans ontstaan door verschillende bemonsteringsrasters.