Kuilen tweede snede weerspiegelen extreme zomer

16 augustus 2018 - Expertartikel

De graskuilen van de tweede snede hebben een bijzonder hoog drogestofgehalte en bevatten relatief weinig VEM en ruw eiwit. De kuilanalyses vanaf eind mei weerspiegelen dan ook de extremen in de zomer van 2018.

In de kuilen van eerste snede lag de voederwaarde (932 VEM) nog in de buurt van het langjarige gemiddelde. Het ruweiwitgehalte was wel wat aan de hoge kant: 184 g/kg in de eerste analyses van 2018. Dat was het gevolg van het koude voorjaar en de groeispurt van het gras toen de temperatuur steeg. 

820 VEM

Voor de tweede snede waren de omstandigheden heel anders; door de aanhoudende droogte is veel gras snel in de aar geschoten. De voederwaarde daalde in mei al naar waarden rond 860 VEM en lager. De resultaten voor 2e snede laten voederwaarde zien van tussen de 860-880 VEM, afhankelijk van maaimoment.

De zomerkuilen zijn zeer droog. Het drogestofgehalte stijgt in juni naar ruim boven de 50 procent. De analyses van begin juli gaan zelfs richting 60 procent. In droog gras komt het conserveringsproces minder snel op gang. Melkzuurbacteriën hebben minder suikers omgezet in melkzuur. Het gras in de kuil bevat nog veel suikers en heeft een relatief hoge pH. Bovendien blijft meer zuurstof achter in de kuil, omdat een droge kuilbult zich moeilijker laat aanrijden. Als deze kuilen worden geopend, is de kans op broei groot

Broeigevoeligheidsindex

U kunt het risico per kuil inschatten met het kengetal broeigevoeligheidsindex in de kuilanalyse. Bij broeigevoeligheid tussen de 35 en 50 is de kuil gevoelig voor broei; boven de 50 is de kuil zeer gevoelig.
Bij een grote broeigevoeligheid kunt u extra maatregelen nemen om verliezen te voorkomen, door de kuilafdekking te verzwaren, de voersnelheid aan te passen en eventueel een broeiremmer in te zetten bij het uitkuilen. De kans op broei kan ook worden beperkt door de kuil later dit seizoen af te dekken een minder droge snede.