Veel minder ‘te snelle' kuilen dit jaar

5 augustus 2016 - Expertartikel

Met het onderdeel Penskarakter ontvangen klanten van Eurofins Agro sinds enkele jaren informatie over de verteringssnelheid van graskuilen. Dit jaar is het karakter van de kuilen nadrukkelijk anders dan voorgaande jaren: veel minder kuilen zijn te snel, het aantal te trage kuilen steeg juist tot een kwart.

Het plaatje van de verteringssnelheid van voorjaarskuilen ziet er dit jaar heel anders uit dan de twee voorgaande jaren. In 2014 en 2015 was veruit het grootste deel van de kuilen ‘te snel’; in 2014 78%, in 2015 66%. Over het algemeen zijn voorjaarskuilen vaak te snel verteerbaar. Hierdoor bestaat er een hoog risico op pensverzuring en andere gezondheidsklachten bij de koeien. Te snelle kuilen zijn ook economisch gezien niet efficiënt. In het rantsoen hebben melkveehouders te veel compensatie nodig door ‘langzame energie’ en bestendig eiwit toe te voegen aan het rantsoen. De kostprijs per liter neemt hierdoor snel toe. Dat is zeker in deze tijd niet gunstig. Of u heeft meer maïs nodig in het rantsoen.

 

 

Veel meer ‘te trage’ voorjaarskuilen

Dit jaar (2016) ziet het plaatje er dus heel anders uit. Minder dan de helft van de voorjaarskuilen is te snel. Veel meer kuilen hebben een optimale verteringssnelheid. Dat is dus goed nieuws voor de voerefficiëntie. Tegelijkertijd valt ook iets anders op: het aantal ‘te trage’ voorjaarskuilen is sterk toegenomen. Bijna een kwart van de voorjaarskuilen is te traag. Dat betekent dat er meer gecompenseerd moet worden met snelle energie in het rantsoen. Bovendien ligt bij een lage voersnelheid het gevaar van broei op de loer, waardoor er meer kans is op verliezen.

 

 

Goede timing doet ertoe

Uit de gemiddelde cijfers  van de voorjaarskuilen van 2016 blijkt dat we dit jaar een VEM-record hebben. De kuilen hebben een enorm hoge voederwaarde. De verschillen zijn echter groot en is erg afhankelijk van het maaimoment. Dit is ook te zien aan de droge stofpercentages (DS). Kuilen die tot half mei zijn gemaakt hebben gemiddeld een hoge voederwaarde. Vanaf halverwege mei is er een sterke daling te zien. In de eerste helft van mei zijn de kuilen over het algemeen ook wat droger ingekuild, wat goed is voor de benutbaarheid van de kuil. Let wel op broei: Droge kuilen hebben meer kans dat er zuurstof in blijft omdat ze moeilijker zijn aan te rijden (terugveren). Daarnaast worden er in droge kuilen door de bacteriën minder melkzuur en azijnzuur geproduceerd. De pH-waarde daalt minder snel, en dus is er een veel grotere kans op broei.

De drogere kuilen in begin mei hadden voor een groot deel te maken met de weersomstandigheden. De eerste tien dagen waren de op een na zonnigste ooit en vanaf Hemelvaartsdag en Bevrijdingsdag werd het ook steeds warmer. Eind mei was er veel meer neerslag en minder zon. Tijdens de kletsnatte dagen van 22 en 23 mei was het met 11-15 graden zeer fris voor de tijd van het jaar. Het droge stofpercentage is in de kuilen die in de tweede helft van de maand mei gemaakt zijn, gemiddeld een stuk lager. De droge stofopbrengst is in deze periode ook erg toegenomen. Natter binnenhalen van deze hogere droge stofopbrengsten met meer NDF komt de kdNDF ten goede. Hoe meer celwanden hoe beter het is om deze vochtiger binnen te halen; daarmee wordt er meer voorverteerd in de kuil en word de benutbaarheid van het ruwvoer beter.

“Wat iedereen weet, maar wat uit de cijfers maar weer eens overduidelijk blijkt, is dat timing er toe doet”, stelt Robin Wolf. Hij is productmanager veehouderij bij Eurofins Agro. “Natuurlijk zijn het weer en bijvoorbeeld de beschikbaarheid van de loonwerker factoren om rekening mee te houden. Maar verliezen en extra compensatie in het rantsoen zijn kostbaar. Het is belangrijk om alle focus te leggen op het juiste maai- en inkuilmoment. Stem daarbij het optimale droge stofpercentage op op de zwaarte van de snede. Kuil zwaardere snedes natter in, en lichte snedes dus droger.