Toelichting recreatie

Elk gewas heeft voedingsstoffen nodig. De nutriënten waar een gewas het meest van nodig heeft, zijn stikstof (N), zwavel (S), fosfaat (P), kalium (K), calcium (Ca) en magnesium (Mg). De andere essentiële nutriënten zijn de sporenelementen ijzer (Fe), zink (Zn), mangaan (Mn), koper (Cu), borium (B), molybdeen (Mo) en chloor (Cl). Een gewas heeft van sporenelementen relatief weinig nodig, maar een tekort kan bij ieder gewas opbrengst- en of kwaliteitsverlies veroorzaken.

De nutriënten natrium, silicium, kobalt, selenium kunnen ook van belang zijn voor onder andere opbrengst, kwaliteit, weerbaarheid, stevigheid, vruchtbaarheid, smakelijkheid en (dier)gezondheid.

Elementen kunnen elkaar ook beconcurreren. Als bijvoorbeeld de Mg-toestand 'goed' is maar de K-toestand 'hoog' is, kan er alsnog een Mg-tekort ontstaan, doordat het gewas meer moeite heeft om de magnesium te vinden in de bodem. De adviesgiften houden derhalve ook rekening met deze interacties.

Meer informatie over de verstrekte adviezen per onderdeel

Bemesting

Het bemestingsadvies is op het rapport weergegeven in kg/ha. Voor een omrekening naar kg/100m2 dient u het betreffende advies te delen door de factor 100. Voorbeeld: 100 kg N/ha = 1 kg N/100m2.

Stikstof

Stikstof is vooral bepalend voor de groeisnelheid en de kleur van het gras. Zie hieronder een verdere uitleg van de stikstofgift per gewas:

  • Groentegewassen
    • De geadviseerde stikstofgift is voor alle groentegewassen, met uitzondering van bonen, erwten, witlof en uien. Deze gewassen krijgen de helft van de genoemde stikstofgift. De genoemde stikstofgift dient enkele weken voor het zaaien of planten licht doorgewerkt te worden.
  • Kool en bladgewassen
    • Tijdens het groeiseizoen een bijbemesting van 0,5 kg stikstof geven.
  • Aardbeien
    • Voor het planten krijgen aardbeien krijgen geen stikstofbemesting. In het voorjaar kan eventueel een extra gift van 0,5 kg stikstof per are worden gegeven.
  • Grootfruit
    • Geef de stikstofbemesting alleen bij een zwakke of onvoldoende scheutgroei.
  • Vaste planten en heesters
    •  De meststoffen in het voorjaar oppervlakkig inharken. Bij heesters alleen een stikstofbemesting geven als de groei te wensen overlaat.
  • Rozen en perkgoed
    • Geef, bij onvoldoende groei in de zomer een extra bemesting van 0,5 kg N per are.
  • Bij laan- en parkbomen
    • Een aanvulling met stikstof in het algemeen niet nodig. Alleen bij onderbegroeiing is het verstandig om jaarlijks een gift van 0,5 kg stikstof per are te geven.
  • Graszaad
    • Bij inzaai na september 3,5 kg N /are in november geven.

Zwavel

Zwavel is onmisbaar bij de vorming van eiwitten en het is tevens van belang voor voldoende grasgroei.

Zwavel (S) komt vrij bij de afbraak van organische stof of mest. Deze afbraak vindt plaats door het bodemleven. Bodemleven is onder koudere omstandigheden niet erg actief. Vroeg in het voorjaar komt er derhalve weinig S vrij uit de bodem. Later in het jaar komt er voldoende zwavel vrij.

Fosfaat

Fosfaat is belangrijk voor de wortelontwikkeling, vooral bij jonge planten.

Bij de aanleg van grasvelden of siergazon, de fosfaatbemesting zoveel mogelijk in de bovenste 10 cm doorwerken.

Kalium

Indien meerdere gewassen achtereen in hetzelfde groeiseizoen worden geteeld dan de kaligift in het seizoen verdelen. Geef voor de eerste keer zaaien of planten 2/3 deel van de gift, geef het resterende deel voor het volgende gewas. Indien mogelijk de kaligift op het zaaibed mee doorwerken.

Mangaan

Mangaanbemesting via de grond is niet zinvol. Bij een gebrek, een bladbespuitingen uitvoeren met een mangaanhoudende bladmeststof zoals mangaansulfaat (2 % oplossing).

Zuurgraad/bekalking

De kalkgift is berekend op de opgegeven bemonsteringsdiepte. Indien de grondbewerkingsdiepte hiervan afwijkt dan de kalkgift evenredig hierop aanpassen.

Bij een hoge pH is bij kalkschuwende beplantingen de kans groot op ijzer en mangaangebrek. Om de pH te verlagen is gebruik van tuinturf als organische bemesting dan aan te bevelen. Bij het optreden van ijzergebreksverschijnselen kan ijzerchelaat aan de grond worden toegediend.

Kalkgiften van meer dan 40 kg/100 m2 (= 4000 kg/ha) (nw) dienen over meerdere jaren te worden verdeeld. Een kalkmeststof niet gelijktijdig met organische mest toedienen.

  • Fruittuin
    • Bij aanplant: werk de geadviseerde kalkgift voor de aanplant door de grond. Giften groter dan 35 kg per 100 m2 (=3500 kg/ha) dienen in twee keer te worden uitstrooid. Voor de eerste grondbewerking, 2/3 deel van de gift uitstrooien en het resterende deel na de grondbewerking tot ca 15 cm diepte doorwerken.
    • Bij een bestaande aanplant fruittuinen niet meer dan 15 kg kalk (=1500 kg/ha) (nw) per jaar geven
  • Borders
    • Bij borders die jaarlijks worden ingeplant of bij herinplant ervan kan de geadviseerde gift in één keer worden gegeven. Giften groter 35 kg per 100 m2 (=3500 kg/ha) in twee keer uitstrooien (2/3 deel voor de eerste grondbewerking en de rest daarna doorwerken). Vaststaande beplanting dient niet meer dan 15 kg per 100 m2 kalkmeststof per jaar te krijgen.
  • Bij laan-en parkbomen.
    • Bij de aanplant van laan- en parkbomen de geadviseerde kalkgift voor de aanplant doorwerken.
    • Bij een bestaande aanplant van laan- en parkbomen niet meer dan 15 kg kalk (=1500 kg/ha) (nw) per jaar geven.

Organische stof

Voor een goed vochthoudend vermogen is het gewenst de moestuin, fruittuin of border regelmatig met stalmest of compost te bemesten. Als de grond erg droogtegevoelig is, is het doorwerken van tuinturf in combinatie met stalmest of compost aan te bevelen. Hierbij zijn er voor de verschillende objecten verschillende hoeveelheden van belang.

 

Toe te dienen organische stof (tuinturf in combinatie met stalmest of compost) in m3 per are

moestuin

2-3

fruittuin

1-1,5

border

2-3

 

Organische meststoffen bevatten ook plantenvoedende stoffen. Deze kunnen op de geadviseerde hoeveelheden in mindering worden gebracht. Raadpleeg voor de hoeveelheden de gebruiksaanwijzing op de verpakking van het product.

Bij een goede grasmat is het gebruik van organische mest niet nodig. Eventueel kan wel gebruik worden gemaakt van gedroogde organische mestproducten. Deze dienen vroeg in het voorjaar uitstrooid te worden.

Klei-humus (CEC)

Het klei-humus-complex (ook wel CEC = kationen uitwisselcapaciteit) geeft de capaciteit van de bodem weer om positief geladen voedingsstoffen (zoals K+, Mg2+, Na+ en Ca2+) en andere elementen (Al3+ en H+) te binden. De CEC wordt gezien als een voorraadvat, waaruit de bodem nutriënten kan leveren aan het gewas. Daarnaast spoelen nutriënten die aan de CEC zitten, minder gemakkelijk uit. Een arme zandgrond heeft een lage CEC, gronden met veel klei en veel organische stof hebben een hoge CEC.

Bodemleven

De biologische bodemvruchtbaarheid wordt nu weergegeven via drie kengetallen, te weten de microbiële biomassa, de microbiële activiteit en de schimmel/bacterie-ratio.

Op basis van de huidige kennis wordt een waardering gegeven die afhankelijk is van de hoeveelheid organische stof. Momenteel wordt ernog geen advies gegeven. Via diverse onderzoeksprojecten zal er meer informatie beschikbaar komen.